"En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag." (Genesis 1:31)
Je zou bij elke scheppingsdag stil kunnen staan, maar dat zou er misschien toe leiden dat je iets mist wat je alleen maar ziet als je de grote lijn blijft volgen. Dat we bij het wonder van het licht even stil moesten staan was belangrijk, maar daarna is niet elke scheppingsdag even noodzakelijk om afzonderlijk bij stil te blijven staan. Misschien moet je eens meekijken vanaf de laatste scheppingsdag, en van daaruit terugblikken.
Op de laatste, fysieke scheppingsdag schiep God de mens. Op zichzelf al bijzonder: God schept iemand die op een bepaalde manier op Hem lijkt. Hij schept de mens niet alleen naar Zijn beeld, maar ook naar Zijn gelijkenis. Dat de mens ‘naar Zijn beeld’ geschapen is, betekent niet dat de mens uiterlijk op Hem lijkt. God schiep de mens naar het beeld dat Hij van de mens had. God is Geest, en dus is het onmogelijk dat de mens een fysieke afbeelding van Hem is. De gelijkenis zit in het wezen van de mens. De mens neemt een unieke plaats in binnen de schepping. Denken, spreken en handelen zijn eigenschappen die bij uitstek menselijk zijn. Maar er is nog meer.
Waarom schiep God de mens pas op de zesde dag? Was het niet geweldig geweest als Adam vanaf het begin alles had kunnen zien ontstaan, alsof hij toekeek hoe God de schepping vormgaf, als bij een groot stedenbouwkundig spel? Toch deed God dat niet. De vraag is: waarom hield God juist deze volgorde aan? Er zijn twee redenen te bedenken.
De eerste reden is Gods wijsheid in wat noodzakelijk was. Elke scheppingsdag vormt een voorwaarde voor de volgende. Eerst het licht, daarna de atmosfeer, zodat planten en bomen konden bestaan. Vervolgens de zon, die de fotosynthese mogelijk maakt, zodat planten zuurstof konden voortbrengen. Daarna de dieren, die die zuurstof nodig hadden. En tenslotte, toen alles gereed was, schiep God de mens.
Met andere woorden: de mens kwam in een gespreid bedje terecht. God had in alles voorzien. De schepping was af toen de mens verscheen. Dat brengt ons bij de tweede reden. God schiep de mens met een eigen wil, en dus met het risico dat het mis kon gaan. Als dat zou gebeuren, zou de mens nooit kunnen beweren dat de schepping van hemzelf was. Hij zou geen gezag kunnen laten gelden op het eigenaarschap van de schepping. Dat kan eenvoudigweg niet, want de mens was op geen enkele manier betrokken bij het scheppingswerk. De mens kwam in een wereld die al volledig gereed was om hem te ontvangen. Niets van wat bestaat kunnen wij ons toe-eigenen als iets dat van ons is. Alles behoort toe aan Hem die schiep.
Wij kunnen nooit zeggen dat dit land van ons is; het is van God en het blijft van God. En let op: God zegt op de zesde dag niet dat alleen de mens ‘zeer goed’ is. Hij zegt dat van de hele schepping, nu die compleet is. Het is zeer goed. Alle andere dagen waren goed, maar wanneer het geheel af is, zegt God: het is zeer goed.