Als je het woord noemt, gebeurt er van alles om je heen: asielzoekers. Op basis van één enkele zin word je al veroordeeld tot links of rechts. En helaas blijft het daar vaak niet bij. Regelmatig zorgt het andere kamp dan waar je op lijkt er dan wel voor dat je moet beseffen dat je blijkbaar niet helemaal goed bij je hoofd bent.
Het thema is in ieder geval hoogst actueel en onontkoombaar. Op veel plaatsen is de discussie gaande waar we met asielzoekers naartoe moeten en of we hen wel een plaats moeten geven. Toch wil ik vanuit een ander perspectief dan gebruikelijk een aantal gedachten delen.
Niet als theoretische discussie, maar heel concreet. In mijn eigen dorp speelt op dit moment de vraag of er een asielzoekerscentrum komt. Niemand weet precies hoe of wat, maar dát het emoties losmaakt, is duidelijk. En niet alleen hier. Overal in het land zie je hetzelfde gebeuren. Hoe dichter het bij komt, hoe feller de reacties worden. En soms hoor ik dingen waarvan ik denk: dit kun je niet zeggen, maar dit kun je ook niet vinden. Dit is niet goed. Dit is niet hoe het hoort te zijn en hoe we met elkaar omgaan.
De kernvraag is dan ook: hoe moeten we omgaan met de vreemdeling? Niet onbeperkt, niet naïef, maar ook niet kil of afwijzend. Zegt God hier eigenlijk iets over? En zo ja: wat?
Nog los van spreidingswetten, bevolkingsdruk en politieke keuzes – waar je best iets van mag vinden – is er een diepere vraag die voor een christen altijd als eerste zou moeten komen: wat vindt God hiervan? Kijken we naar deze discussie vanuit praktische haalbaarheid alleen, of vanuit een Bijbels perspectief?
De mens als beeld van God
Het allereerste wat gezegd moet worden, is dit: ieder mens is geschapen naar het beeld van God. Dat geldt voor ons allemaal. Voor onszelf, voor onze vrienden, maar ook voor de vreemdeling.
God ziet in ieder mens iets van Zichzelf terug. Als dat werkelijk tot je doordringt, verandert dat de manier waarop je kijkt. Dan wordt de vraag niet meer: wat vind ík hiervan? Maar: kijk ik naar de ander zoals God kijkt?
Die overtuiging legt een fundamentele zorgvuldigheid op in hoe we spreken en handelen. Dit is geen emotioneel argument, maar een theologisch beginpunt.
Israël en de herinnering aan vreemdelingschap
Wanneer God Israël Zijn wet geeft, klinkt al snel deze opdracht:
“U mag de vreemdeling niet uitbuiten en hem niet onderdrukken, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte.” (Ex. 22:21)
Israël moest de vreemdeling liefhebben en beschermen, niet uit idealisme, maar uit herinnering. Ze waren zelf vreemdeling geweest. Eerst welkom, omdat Jozef Egypte had gered, en later tot slaaf gemaakt. Juist die geschiedenis moest hen scherp houden, omdat God hen uit die slavernij en uit dat vreemdelingschap had bevrijd.
Je zou nu snel de conclusie kunnen trekken dat dit alleen over Israël gaat, maar dat is wel erg kort door de bocht. Dit thema, vreemdelingschap, stopt namelijk niet bij Israël.
Vreemdelingschap loopt door tot in Christus
Jezus zelf werd vluchteling. Hij moest naar Egypte vluchten omdat Zijn leven bedreigd werd. Dat is geen detail. Het was noodzakelijk en zelfs profetisch, opdat wij uiteindelijk gered zouden kunnen worden.
Daarnaast is er nog een volgende stap. Wie Jezus volgt, krijgt een nieuw burgerschap in Christus. Paulus zegt: ons burgerschap is in de hemel. Sinds de zondeval is deze aarde geen vanzelfsprekend thuis meer. Wie Christus toebehoort, beseft dit en weet dat hij hier tijdelijk leeft.
Dat betekent: als christen bén je vreemdeling. Dit land – welk land dan ook – is nooit je uiteindelijke thuis en ook nooit je eigendom. De hele wereld is van God. Zodra we ons hier volledig thuis gaan voelen, worden we wereldgelijkvormig en eigenen we ons iets toe dat ten diepste niet van ons is, maar van God.
Vreemdelingschap zit dus diep in je identiteit in Christus.
Twee soorten vreemdelingen in de Bijbel
In het Oude Testament maakt God onderscheid tussen twee soorten vreemdelingen.
De nokri
Dit is de vreemdeling op doortocht: een handelaar, reiziger of bezoeker. Hij heeft geen intentie om zich te vestigen, behoudt zijn eigen goden en cultuur en wordt niet gevraagd zich aan te passen. Israël wordt juist gewaarschuwd voor de invloed van deze groep en voor het binnenhalen van hun goden.
De ger
Dit is de vreemdeling die op de vlucht is of om een andere reden het land binnenkomt en zich wil vestigen. Hij wil blijven en er wonen. En dat betekent ook: zijn oude religie en cultuur loslaten en deelnemen aan het sociale én religieuze leven van Israël. Dat was een voorwaarde die God stelde aan de vreemdeling.
Dit onderscheid is cruciaal en wordt vandaag vaak vergeten. Tegelijk wringt hier ook in onze samenleving de schoen. Doordat we ons als samenleving niet meer laten leiden door God en Zijn Woord niet meer serieus nemen, gaat het grondig mis. In een samenleving waarin elke religie er mag zijn, hoeft de vreemdeling zich ook niet meer aan te passen op dat gebied. En als je je religie blijft vasthouden, wordt ook het loslaten van je eigen cultuur een lastig punt in de nieuwe samenleving waarin je terechtkomt.
Eén wet voor iedereen
Over deze vreemdeling, de ger, zegt God heel duidelijk:
“Eén wet en één bepaling geldt voor u en voor de vreemdeling die bij u verblijft.” (Numeri 15:16)
Dat betekent geen uitzonderingspositie. Geen parallelle samenleving of subcultuur. Dezelfde rechten, maar ook dezelfde plichten. Dat betekent: dezelfde strafmaat en dezelfde verantwoordelijkheid.
Daar hoort ook bij dat wie niet werkt, ook niet eet. Een vreemdeling in Israël kon zich nooit vestigen met het idee dat hij achterover kon leunen. Kon iemand zichzelf echt niet onderhouden, dan viel hij – ook als vreemdeling – onder de armenzorg, samen met weduwen en wezen. Maar ook die zorg kwam niet vanzelf. Deze groep had de opdracht om het restant van de aren van het land te rapen en vergeten druiven te verzamelen. Ze scharrelden op een eerlijke, wettelijk geregelde manier hun kostje bij elkaar. Dus niet je hand ophouden: ook degenen die niet in hun levensonderhoud konden voorzien, moesten zelf actief blijven.
God voorkomt hiermee dat mensen passief, uitzichtloos of ontwricht raken. Ze blijven onderdeel van de samenleving. Iemand die de hele dag niets doet, gaat gedrag vertonen dat verre van wenselijk is. Dat werd op deze manier voorkomen. Kon iemand echt niet uit de voeten, dan viel hij pas onder de tiendenregeling waaruit hij iets ontving.
Waar het vandaag schuurt
Wij leven in een samenleving die God als norm losgelaten heeft. Alle religies moeten naast elkaar kunnen bestaan. Daardoor is de vraag ontstaan: waaraan moet een vreemdeling zich eigenlijk aanpassen? Daarnaast ontbreekt in de huidige wetgeving de plicht voor de vreemdeling om in het eigen onderhoud te voorzien.
Wat in Israël helder was, is bij ons vaag geworden. En precies daar ontstaan spanningen. Niet omdat mensen per definitie slecht zijn, maar omdat kaders ontbreken.
Dat roept een eerlijke vraag op: hebben wij de voorwaarden wel om barmhartigheid goed vorm te geven?
Ja, maar niet zonder grenzen
De Bijbel laat geen ruimte om vluchtelingen simpelweg af te wijzen. Barmhartigheid is een opdracht. Jezus zegt zelfs dat als je het naar één van de minste vreemdelingen hebt omgezien, dat je naar Hem hebt omgezien.
Tegelijk laat de Bijbel ook zien dat barmhartigheid alleen werkt binnen duidelijke kaders. Zonder verantwoordelijkheid ontspoort zorg. Zonder kaders wordt gastvrijheid instabiel.
Misschien ligt daar wel de spanning van deze tijd. Niet: willen we wel? Maar: kunnen we het op deze manier goed doen?
Conclusie
Vreemdelingen herbergen: ja.
Maar wel zo dat menswaardigheid, verantwoordelijkheid en samenleven samen opgaan.
Dat schuurt. En dat mag. Juist die wrijving helpt ons opnieuw te luisteren naar wat Gods Woord werkelijk zegt.
Op YouTube maakte ik ook een video over dit onderwerp die nog dieper ingaat op dit vraagstuk: Asielzoekers - AZC: Nee? | Heilige wrijving #5